Bekentenis: Ik houd van tegenstellingen. Ik houd van opsommingen om te overtuigen. En ik houd van retorische drieslagen in een tekst.
Ik ben kennelijk niet de enige met deze voorliefde, want in de webteksten die AI tegenwoordig ‘schrijft’ (en dat is, schrik niet, meer dan 50 procent van de webteksten op dit moment), kom je die stijlvormen heel vaak tegen. AI heeft geleerd van ‘goede schrijvers’ en gebruikt deze stijltechnieken te pas en te onpas.
Wat ik de laatste tijd vaker doe is de drieslag vermijden. Hij is te herkenbaar AI en daarmee te verdacht. Maar is dat de juiste oplossing? Het probleem zit namelijk niet in de vorm, maar in wat ik er als schrijver mee doe.
Ik heb eerlijk gezegd wel last van deze absurde situatie. Ik lees heel vaak een door AI-gegenereerde tekst en denk: dit had ik ook zo kunnen schrijven. Vroeger zou dat een compliment zijn, maar nu is het een probleem. Want als ik het zo had geschreven, en AI het ook zo schrijft, wie gelooft dan nog dat ík het heb geschreven?
Schrappen uit angst
De laatste tijd schrap ik om andere redenen dan vroeger. Ik schrijf een zin, lees hem terug, en denk: te AI-achtig. Dan begint het schrappen. De drieslag eruit. De “niet dit, maar dat”-constructie weg.
Maakt dat mijn teksten beter? Nee. Want ik ben niet bezig met beter schrijven, maar met vermijden. En vermijden produceert eerder leegte dan authenticiteit. Ik focus me kennelijk meer op de mogelijke reactie over de bron (AI of ik) dan de leesbaarheid en aantrekkelijkheid van de tekst voor de lezer. Terwijl, zo doceer ik keer op keer, de lezer de enige belangrijke factor is in het schrijven.
Dat noem ik schrijven met een spook over je schouder: je past je aan een beeld aan. Niet aan je lezer, maar aan wat een lezer als echt herkent. De vraag die ik mezelf stel: wanneer houdt aanpassen op en begint vervreemding?
Het zit in de vulling
Ik gebruik zelf ook AI. Dat is geen bekentenis, dat is gewoon hoe het gaat. Ik werk ermee, ik herken het, ik weet wat het doet. Dat maakt dit dilemma eerder ingewikkelder dan eenvoudiger. Want als AI-gebruik normaal is, waarom zou AI-achtig klinken dan een probleem zijn? Uiteindelijk gaat het erom wat je met de uitkomsten doet, niet of je het gebruikt.
Ik kan AI vragen tekst te genereren. Die tekst komt dan van nergens. Er zit geen ervaring onder, geen specifiek moment, geen twijfel die tot inzicht leidde. Het is taal zonder geschiedenis.
Ik kan ook zelf schrijven en daarbij stijlvormen gebruiken die AI ook gebruikt. Maar als die stijlvorm gevuld is met iets wat alleen ik kan schrijven (deze twijfel, op dit moment, over dit dilemma) dan maakt de vorm niet uit.
Ik merk dat het verschil zit in waar de tekst vandaan komt, niet in hoe hij eruitziet. Als ik schrijf “ik heb die zin drie keer herschreven en toen pas klopte hij”, klopt dat. Zo’n zin kan AI natuurlijk ook genereren. Maar bij mij verwijst hij naar iets dat echt gebeurde, gisteren achter mijn eigen laptop. Die persoonlijke geschiedenis is niet te kopiëren.
Terug naar de lezer
Daarom kies ik ervoor te blijven schrijven zoals ik dat al sinds 1986 doe: met maximaal oog voor de lezer, op een manier die mij past. Ook als dat betekent dat ik stijlvormen gebruik die AI ook gebruikt.
Dus de drieslag mag. De antithese mag. De korte zin – voor nadruk – mag ook. Niet omdat ze authentiek zijn, maar omdat ze neutraal zijn. Het is niet de vorm maar de inhoud die ze ‘leeg’ maakt.
Wat ik dus meer en meer doe: ik schrijf, lees terug en vraag me af of ik dit ook zo had gezegd in een discussie of goed gesprek. Aan tafel of in de kroeg. Is het van mij, dan is het goed. Ook als het op AI lijkt.
Soms is het antwoord nee. Dan herschrijf ik. Soms is het antwoord nee en publiceer ik toch, omdat de helderheid van het punt of de overtuigingskracht van het voorbeeld belangrijker is dan twijfel over de bron.
Het is bijna onmogelijk hier een regel (of altijd-werkende-prompt) van te maken. Het is een gevoel dat je moet herkennen. En soms mis ik het, en publiceer ik iets wat inderdaad nergens vandaan komt. Dat risico hoort erbij en voorkomt dat ik teksten publiceer die zo voorzichtig zijn dat ze niets zeggen.
Het spook over mijn schouder is niet verdwenen. Maar ik schrijf er inmiddels doorheen. Want de enige teksten die niemand meer kan onderscheiden van AI, zijn de teksten die ook nergens vandaan komen.

